bouw
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɑu̯/Betekenis
- het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
- het bouwbedrijf; alle bedrijvigheid die gericht is op het (ver)bouwen van gebouwen
- het bouwterrein
- de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijze
- de aanbouw, het telen (van gewassen)
- exploitatie
Hoe spreek je bouw uit?
/bɑu/
Bouw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bouwen
- gebiedende wijs van bouwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bouwen
Vervoeging van bouw
bouwhele werkwoord
Herkomst
Van de stam van het werkwoord bouwen