vrouw
zelfstandig naamwoord vrɑuBetekenis
- een volwassen vrouwelijke mens
- de vrouwelijke partner in een huwelijk
Hoe spreek je vrouw uit?
/vrɑu/
Vrouw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| r | rood |
| ɑu | koud |
zelfstandig naamwoord
- volwassen mens van het vrouwelijk geslacht
- vrouwelijke partner in een blijvende relatie
- iemand van het vrouwelijk geslacht met veel aanzien, met een hoge maatschappelijke stand (bijv. van adel) obsolete
- speelkaart waarop een vrouwelijke figuur (vaak een koningin) staat afgebeeld
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vrouwen | meervoud |
| vrouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vrouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘voorname vrouw, dame’ voor het eerst aangetroffen in 1151.
Woordfamilie van vrouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrouwen | meervoud | vrouw |
| vrouwtjes | verkleinwoord meervoud | vrouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrouw zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- vrouwelijk
- vrouwenarts
- vrouwenbesnijdenis
- vrouwenbeul
- vrouwenbevrijding
- vrouwenbeweging
- vrouwenborst
- vrouwencondoom
- vrouwenemancipatie
- vrouwengek
- vrouwenhaar
- vrouwenhaat
- vrouwenhandel
- vrouwenhater
- vrouwenjager
- vrouwenkiesrecht
- vrouwenlijf
- vrouwenlogica
- vrouwenmishandeling
- vrouwenpraatgroep
- vrouwenprobleem
- vrouwenschender
- vrouwenstem
- vrouwenstrijd