bouwhal
zelfstandig naamwoordBetekenis
- grote overdekte ruimte die geschikt is voor het bouwen van grote objecten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwhallen | meervoud |
| bouwhalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bouwhalletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouwen ww en hal zn
Woordfamilie van bouwhal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwhallen | meervoud | bouwhal |
| bouwhalletje | verkleinwoord | bouwhal |
| bouwhalletjes | verkleinwoord meervoud | bouwhal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwhal zijn vastgelegd.