karbouw
zelfstandig naamwoord kɑrˈbɑuBetekenis
- een tot de runderen behorend trekdier dat veel gebruikt wordt op rijstvelden
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je karbouw uit?
/kɑrˈbɑu/
Karbouw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort zoogdier, Bubalus arnee bubalis, een tot de runderen behorend trekdier dat veel gebruikt wordt op rijstvelden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| karbouwen | meervoud |
Herkomst
van Indonesisch kerbau, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in 1786
Woordfamilie van karbouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| karbouwen | meervoud | karbouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van karbouw zijn vastgelegd.