blauwblauw
bijvoeglijk naamwoord blɑuˈblɑuBetekenis
- een zaak blauwblauw laten: een zaak ongemoeid laten, een zaak laten rusten, net doen alsof je neus bloedt
Hoe spreek je blauwblauw uit?
/blɑuˈblɑu/
Blauwblauw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blauwblauws | partitief, stellende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘onopgehelderd, met rust’ voor het eerst aangetroffen in 1784
Woordfamilie van blauwblauw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blauwblauws | partitive, positive | blauwblauw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blauwblauw zijn vastgelegd.