bouwen
werkwoord /ˈbɑu̯ə(n)/Betekenis
- een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
- ~ op: zich verlaten op, vertrouwen op
Hoe spreek je bouwen uit?
/ˈbɑuən/
Bouwen bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bouwen
bouwenhele werkwoord — bouwdeverleden tijd enkelvoud — bouwdenverleden tijd meervoud — gebouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bouw | bouwde |
| jij | bouwt | bouwde |
| hij, zij, het | bouwt | bouwde |
| wij | bouwen | bouwden |
| jullie | bouwen | bouwden |
| zij | bouwen | bouwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bouw | gebiedende wijs |
| bouwde | verleden tijd |
| bouwe | aanvoegende wijs |
| bouwend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebouwd | verleden tijd, deelwoord |
| gebouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een huis optrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van bouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwde | verleden tijd | bouwen |
| bouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bouwen |
| bouwe | aanvoegende wijs | bouwen |
| bouwend | onvoltooid deelwoord | bouwen |
| bouwende | woordvorm | bouwen |
| bouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwen zijn vastgelegd.