juffrouw
zelfstandig naamwoord /jʏˈfrɑu/Betekenis
- jonge, gewoonlijk ongehuwde, vrouw
- lerares, onderwijzeres, juf
Hoe spreek je juffrouw uit?
/jʏˈfrɑu/
Juffrouw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ʏ | put |
| f | fiets |
| r | rood |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- , gewoonlijk ongehuwde, vrouw
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| juffrouwen | meervoud |
| juffrouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| juffrouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(ongehuwde) vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van juffrouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| juffrouwen | meervoud | juffrouw |
| juffrouwtje | verkleinwoord | juffrouw |
| juffrouwtjes | verkleinwoord meervoud | juffrouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van juffrouw zijn vastgelegd.