pauw
zelfstandig naamwoord pɑuBetekenis
- een siervogel waarvan het mannetje een lange sleep van verlengde dekveren bezit die hij om indruk te maken rechtop kan zetten
Hoe spreek je pauw uit?
/pɑu/
Pauw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑu | koud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo, waarvan het mannetje een lange sleep van verlengde dekveren bezit die hij om indruk te maken rechtop kan zetten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pauwen | meervoud |
| pauwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pauwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van pauw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pauwtje | verkleinwoord | pauw |
| pauwtjes | verkleinwoord meervoud | pauw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pauw zijn vastgelegd.