schouw
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord sxɑuBetekenis
- stookplaats
- schoorsteenmantel
- schoorsteen
Hoe spreek je schouw uit?
/sxɑu/
Schouw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑu | koud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- inspectie, visitatie formal
- een vissersscheepje met de kenmerken van de aak
- platte schuit voor het overzetten van personen en goederen, overzetboot, pont, pontveer, veerboot, veerpont
- schuwheid feminine, obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schouwen | meervoud |
| schouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- schuw obsolete
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
- gebiedende wijs van schouwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
Vervoeging van schouw
schouwhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘schoorsteen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546
Woordfamilie van schouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schouwere | woordvorm | schouw |
| schouws | woordvorm | schouw |
| schouwst | woordvorm | schouw |
| schouwste | woordvorm | schouw |
| schouwtje | verkleinwoord | schouw |
| schouwtjes | verkleinwoord meervoud | schouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schouw zijn vastgelegd.