bouwdoos
zelfstandig naamwoord ˈbɑudosBetekenis
- verpakking met onderdelen waarmee gebouwen en andere constructies in het klein kunnen worden nagebouwd
- verpakking met onderdelen om zelf een bepaald apparaat te bouwen
- voor transseksueel, iemand de een geslachtsoperatie ook lichamelijk vrouw is geworden
- stel schermen dat er voor zorgt dat het licht van een studiolamp alleen op een bepaald deel van de set valt
Hoe spreek je bouwdoos uit?
/ˈbɑudos/
Bouwdoos bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
| d | dak |
| o | boot |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwdoosje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bouwdoosjes | verkleinwoord, meervoud |
| bouwdozen | meervoud |
Herkomst
[1], [2] samenstelling van bouw ww en doos zn
Woordfamilie van bouwdoos
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwdoosje | verkleinwoord | bouwdoos |
| bouwdoosjes | verkleinwoord meervoud | bouwdoos |
| bouwdozen | meervoud | bouwdoos |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwdoos zijn vastgelegd.