bouwheer
zelfstandig naamwoord 'bɔuherBetekenis
- de opdrachtgever voor het bouwen van een gebouw, de persoon die alle kosten moet dragen en uiteindelijk eigenaar is van het gebouwde, maar niet noodzakelijk de latere gebruiker is
Hoe spreek je bouwheer uit?
/ˈbɔuher/
Bouwheer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| u | boek |
| h | hoed |
| e | veel |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwheren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouw zn en heer zn
Woordfamilie van bouwheer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwheren | meervoud | bouwheer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwheer zijn vastgelegd.