jouw
bezittelijk voornaamwoord, werkwoord, zelfstandig naamwoord /jɑu̯/Betekenis
- van jou
- uitroep (van vreugde)
- uitroep (van spot)
Hoe spreek je jouw uit?
/jɑu/
Jouw bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑu | koud |
Klinkt hetzelfde als jou.
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jouwen
- gebiedende wijs van jouwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jouwen
Vervoeging van jouw
jouwhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bezittelijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1290