zoener
zelfstandig naamwoordBetekenis
- mensen die andere mensen vaak zoenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zoeners | meervoud |
| zoenertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoenertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van zoenen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van zoener
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoeners | meervoud | zoener |
| zoenertje | verkleinwoord | zoener |
| zoenertjes | verkleinwoord meervoud | zoener |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoener zijn vastgelegd.