juist
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- zoals het moet, waar
- daarnet, daarstraks, zopas, net, zo-even, zojuist, zonet
- in tegenstelling tot het vooraf genoemde
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (juistst) * | onverbogen, overtreffende trap |
| (juistste) * | verbogen, overtreffende trap |
| juiste | verbogen, stellende trap |
| juister | onverbogen, vergrotende trap |
| juistere | verbogen, vergrotende trap |
| juisters | partitief, vergrotende trap |
| juists | partitief, stellende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘billijk, correct’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1337
Woordfamilie van juist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| juiste | verbogen vorm | juist |
| juister | vergrotende trap | juist |
| juistere | verbogen vergrotende trap | juist |
| juisters | partitieve vergrotende trap | juist |
| juists | partitive, positive | juist |
| juistst | woordvorm | juist |
| juistste | woordvorm | juist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van juist zijn vastgelegd.