plat
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord plɑtBetekenis
- vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
- van weinig culturele diepgang getuigend, boers, dialectisch
- platgemaakt, omgekocht
- vlak
- een algemene aanduiding voor een locale dialectvorm
- een vlakgemaakte plek aan of op een huis
- een onderzeese vlakte
- oninteressant, banaal, getuigend van weinig creativiteit of originaliteit, goedkoop
- plat, gezegd van autobanden (e.d.)
- een hoek van 180°
- gezegd van een elektrocardiogram dat geen teken van een hartslag meer vertoont
- plat, gezegd van een te zoete wijn, die de friszure noot mist
- een vlak bord waar voedsel opgediend wordt
- het voedselgerecht dat op het bord geserveerd wordt
- lap; stuk stof
- horizontaal
- afgevlakt
- Limburgs
- loon, salaris
- betaling
- gáže
- platba
Hoe spreek je plat uit?
/plɑt/
Plat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plats | partitief, stellende trap |
| platst | onverbogen, overtreffende trap |
| platste | verbogen, overtreffende trap |
| platte | verbogen, stellende trap |
| platter | onverbogen, vergrotende trap |
| plattere | verbogen, vergrotende trap |
| platters | partitief, vergrotende trap |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van platten
- gebiedende wijs van platten
Vervoeging van plat
plathele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dun, vlak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van plat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plats | partitive, positive | plat |
| platst | uninflected, superlative | plat |
| platste | inflected, superlative | plat |
| platter | vergrotende trap | plat |
| plattere | verbogen vergrotende trap | plat |
| platters | partitieve vergrotende trap | plat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plat zijn vastgelegd.