effen
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- glad van oppervlak
- gelijk van kleur
- zonder het uiten van gevoelens
- even; zonder moeite , in korte tijd
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| effener | onverbogen, vergrotende trap |
| effeners | partitief, vergrotende trap |
| effens | partitief, stellende trap |
| effenst | onverbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
- gebiedende wijs van effenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
Vervoeging van effen
effenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vlak, gelijkmatig’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van effen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| effener | vergrotende trap | effen |
| effeners | partitieve vergrotende trap | effen |
| effens | partitive, positive | effen |
| effenst | uninflected, superlative | effen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van effen zijn vastgelegd.