aftappen
werkwoord ˈɑftɑpə(n)Betekenis
- ergens iets van afnemen, gewoonlijk een vloeistof
- door middel van het plaatsen van afluisterapparatuur informatie verkrijgen uit gesprekken die andere mensen voeren
Hoe spreek je aftappen uit?
/ˈɑftɑpən/
Aftappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aftappen
aftappenhele werkwoord — tapte afverleden tijd enkelvoud — tapten afverleden tijd meervoud — afgetaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tap af | tapte af |
| jij | tapt af | tapte af |
| hij, zij, het | tapt af | tapte af |
| wij | tappen af | tapten af |
| jullie | tappen af | tapten af |
| zij | tappen af | tapten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te tappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen tappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal tappen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou tappen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden tappen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt tappen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen tappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen tappen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult tappen | bijzin, toekomende tijd |
| afgetapt | verleden tijd, deelwoord |
| afgetapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgetapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgetapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgetapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgetapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgetapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgetapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftappend | onvoltooid, deelwoord |
| aftapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftapte | bijzin, verleden tijd |
| aftapten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgetapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgetapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgetapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgetapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgetapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgetapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgetapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgetapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgetapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgetapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgetapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgetapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgetapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgetapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgetapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| tap af | gebiedende wijs |
| tapte af | verleden tijd |
| te hebben afgetapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgetapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgetapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgetapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgetapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgetapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgetapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgetapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftappen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgetapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftappen af zou(dt) tappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgetapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgetapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgetapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgetapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en tappen ww
Woordfamilie van aftappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgetapt | voltooid deelwoord | aftappen |
| afgetapte | woordvorm | aftappen |
| aftap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftappen |
| aftappe | with-subordinate-clause | aftappen |
| aftappend | onvoltooid deelwoord | aftappen |
| aftappende | woordvorm | aftappen |
| aftapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftappen |
| aftapte | subordinate-clause, verleden tijd | aftappen |
| aftapten | subordinate-clause, verleden tijd | aftappen |
| tap af | gebiedende wijs | aftappen |
| tappe af | woordvorm | aftappen |
| tappen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftappen |
| tapt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftappen |
| tapte af | verleden tijd | aftappen |
| tapten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftappen zijn vastgelegd.