tapdans
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈtɑbdɑns/Betekenis
- dans waarbij ritmische klanken worden gemaakt door tikken op de grond met metalen plaatjes onder de schoenzolen, bij de hakken en bij de tenen
Hoe spreek je tapdans uit?
/ˈtɑbdɑns/
Tapdans bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| d | dak |
| n | nek |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tapdansen | meervoud |
| tapdansje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tapdansjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tapdansen
- gebiedende wijs van tapdansen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tapdansen
Vervoeging van tapdans
tapdanshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘een dans’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van tapdans
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tapdansje | verkleinwoord | tapdans |
| tapdansjes | verkleinwoord meervoud | tapdans |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tapdans zijn vastgelegd.