spuiter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die spuit (brandweerman, gifspuiter in de landbouw, verfspuiter, drugsgebruiker) door de laatste betekenis heeft een een wat negatieve betekenis gekregen
- iets dat spuit zoals een fontein
- oliebron waar de olie onder hoge druk naar boven komt via het boorgat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spuiters | meervoud |
| spuitertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spuitertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van spuiten met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van spuiter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spuiters | meervoud | spuiter |
| spuitertje | verkleinwoord | spuiter |
| spuitertjes | verkleinwoord meervoud | spuiter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spuiter zijn vastgelegd.