schokschouderen
werkwoordBetekenis
- de schouders ophalen
Vervoeging van schokschouderen
schokschouderenhele werkwoord — schokschouderdeverleden tijd enkelvoud — schokschouderdenverleden tijd meervoud — geschokschouderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schokschouder | schokschouderde |
| jij | schokschoudert | schokschouderde |
| hij, zij, het | schokschoudert | schokschouderde |
| wij | schokschouderen | schokschouderden |
| jullie | schokschouderen | schokschouderden |
| zij | schokschouderen | schokschouderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschokschouderd | verleden tijd, deelwoord |
| geschokschouderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschokschouderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschokschouderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschokschouderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschokschouderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schokschouder | gebiedende wijs |
| schokschouderde | verleden tijd |
| schokschoudere | aanvoegende wijs |
| schokschouderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschokschouderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schokschouderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schokschouderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschokschouderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schokschouderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschokschouderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schokschouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘de schouders ophalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1839
Woordfamilie van schokschouderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschokschouderd | voltooid deelwoord | schokschouderen |
| schokschouder | gebiedende wijs | schokschouderen |
| schokschouderde | verleden tijd | schokschouderen |
| schokschouderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schokschouderen |
| schokschoudere | aanvoegende wijs | schokschouderen |
| schokschouderend | onvoltooid deelwoord | schokschouderen |
| schokschouderende | woordvorm | schokschouderen |
| schokschoudert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schokschouderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schokschouderen zijn vastgelegd.