piek
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pik/Betekenis
- een buiten de omgeving uitstekend deel, vrij lang en puntig
- natuurwetenschap: een signaal dat zich uit als een maximum in een kromme
- een kortstondige, sterke toename (van activiteit, aantallen en dergelijke)
- een (tijdelijk) optimale vorm waarin een uitzonderlijke prestatie kan worden geleverd
- een puntvormige versiering op de top van een kerstboom
- lans, een wapen dat bestond uit een dunne stok met aan het uiteinde een metalen punt
- een muntstuk ter waarde van één gulden (vernoemd naar de muntafbeelding van de Nederlandse Maagd met een lans in haar hand)
Hoe spreek je piek uit?
/pik/
Piek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pieken | meervoud |
| piekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| piekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieken
- gebiedende wijs van pieken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieken
Vervoeging van piek
piekhele werkwoord
Woordfamilie van piek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| piekje | verkleinwoord | piek |
| piekjes | verkleinwoord meervoud | piek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piek zijn vastgelegd.