paniek
zelfstandig naamwoord paˈnikBetekenis
- plotselinge hevige schrik voor een echt of vermeend gevaar
Hoe spreek je paniek uit?
/paˈnik/
Paniek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| n | nek |
| i | riet |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| panieken | meervoud |
| paniekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paniekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Frans panique, een eponiem dat verwijst naar de Griekse god Pan , die mensen met vreemde geluiden aan het schrikken maakte; in de betekenis van ‘schrik’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van paniek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| panieken | meervoud | paniek |
| paniekje | verkleinwoord | paniek |
| paniekjes | verkleinwoord meervoud | paniek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paniek zijn vastgelegd.