statistiek
zelfstandig naamwoord ˌstatɪsˈtikBetekenis
- de wetenschap van het verzamelen en vergelijken van verschijnselen en van de weergave hiervan in tabellen of grafische voorstellingen
- een stuk waarin feiten of gegevens van statistische aard zijn vervat
Hoe spreek je statistiek uit?
/ˌstatɪsˈtik/
Statistiek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| ɪ | pit |
| i | riet |
| k | kat |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| statistieken | enkelvoud |
| statistiekje | verkleinwoord, tweede persoon |
| statistiekjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘methode om door middel van cijfers inzicht in verschijnselen te krijgen’ voor het eerst aangetroffen in 1807
Woordfamilie van statistiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| statistieken | enkelvoud | statistiek |
| statistiekje | verkleinwoord, 2e persoon | statistiek |
| statistiekjes | verkleinwoord | statistiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van statistiek zijn vastgelegd.