plastiek
zelfstandig naamwoord, werkwoord plɑsˈtikBetekenis
- boetseerkunst, beeldhouwkunst
- licht- en schaduwwerking in de schilderkunst
- voorwerp van plastische kunst
- aangebrachte verandering in de vorm van een lichaamsdeel zoals door plastische chirurgie
- plastic
Hoe spreek je plastiek uit?
/plɑsˈtik/
Plastiek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| i | riet |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plastieken | meervoud |
| plastiekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plastiekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plastieken
- gebiedende wijs van plastieken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plastieken
Vervoeging van plastiek
plastiekhele werkwoord
Herkomst
van Frans plastique **v: in de betekenis van ‘boetseerkunst’ voor het eerst aangetroffen in 1869 **o: in de betekenis van 'synthetisch product gemaakt van oliederivaten' voor het eerst gebruikt in 1909
Woordfamilie van plastiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plastiekje | verkleinwoord | plastiek |
| plastiekjes | verkleinwoord meervoud | plastiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plastiek zijn vastgelegd.