giek
zelfstandig naamwoord ɣikBetekenis
- rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
- boom van een kraan of graafmachine
- bij een wegwijzer het bord dwars op de paal
- lange, smalle roeiboot, waarin de roeiers alleen achter elkaar en niet naast elkaar zitten
- klein soort roeiboot
- sloep, bootje dat mensen van de wal naar het schip brengt
Hoe spreek je giek uit?
/xik/
Giek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| i | riet |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gieken | meervoud |
| giekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| giekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’ voor het eerst aangetroffen in 1671
Woordfamilie van giek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gieken | meervoud | giek |
| giekje | verkleinwoord | giek |
| giekjes | verkleinwoord meervoud | giek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van giek zijn vastgelegd.