elastiek
zelfstandig naamwoord elɑs'tikBetekenis
- een rekbaar soort rubber
- een geweven band met een elastieken schering
Hoe spreek je elastiek uit?
/elɑsˈtik/
Elastiek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| i | riet |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| elastieken | enkelvoud |
| elastiekje | verkleinwoord, tweede persoon |
| elastiekjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rekbare band’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1838
Woordfamilie van elastiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| elastiekje | verkleinwoord, 2e persoon | elastiek |
| elastiekjes | verkleinwoord | elastiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van elastiek zijn vastgelegd.