meer
zelfstandig naamwoord, onbepaald hoofdtelwoord, werkwoord, bijwoord /meːr/Betekenis
- een groot water dat helemaal omringd is door land
- zee
- vergrotende trap van veel
- (van hoeveelheid) in sterkere mate
- (van tijd)
- na een ontkenning nog langer
Hoe spreek je meer uit?
/mer/
Meer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — neuter
- groot water dat helemaal omringd is door land
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| meertjes | verkleinwoord, meervoud |
| meren | meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van veel
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meren
- gebiedende wijs van meren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meren
Vervoeging van meer
meerhele werkwoord
bijwoord
- in sterkere mate
- vaker
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1] méér |
Herkomst
zn: erfwoord via Middelnederlands mere van Oudnederlands meri, in de betekenis van ‘waterbekken’ voor het eerst aangetroffen in 755
Woordfamilie van meer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meertje | verkleinwoord | meer |
| meertjes | verkleinwoord meervoud | meer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meer zijn vastgelegd.