zedenleer
zelfstandig naamwoord ˈzedə(n)ˌlerBetekenis
- de leer van de gezamenlijke plichten der zedelijke wezens
Hoe spreek je zedenleer uit?
/ˈzedənˌler/
Zedenleer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| l | land |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- samenhangend geheel van opvattingen bij een persoon of groep over hoe mensen zich horen te gedragen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zedeleer | |
| zedenleren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zede zn en leer zn met het invoegsel -n-
Woordfamilie van zedenleer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zedeleer | feminine | zedenleer |
| zedenleren | meervoud | zedenleer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zedenleer zijn vastgelegd.