sneer
zelfstandig naamwoord, werkwoord /sner/Betekenis
- een minachtende, vernederende opmerking,
- met een minachtende of hatelijke lach kijken
- zich minachtend of hatelijk uitlaten
- (van paarden)
- (iets) met een sneer, minachtende of hatelijke opmerking zeggen
- een minachtende blik
Hoe spreek je sneer uit?
/sner/
Sneer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een minachtende of vernederende opmerking
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sneertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sneertjes | verkleinwoord, meervoud |
| sneren, sneers | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sneren
- gebiedende wijs van sneren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sneren
Vervoeging van sneer
sneerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘honende opmerking’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van sneer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sneers | meervoud | sneer |
| sneertje | verkleinwoord | sneer |
| sneertjes | verkleinwoord meervoud | sneer |
| sneren | meervoud | sneer |
| gesneerd | woordvorm | sneren |
| gesneerde | woordvorm | sneren |
| sneerde | woordvorm | sneren |
| sneerden | woordvorm | sneren |
| sneert | woordvorm | sneren |
| snere | woordvorm | sneren |
| snerend | woordvorm | sneren |
| snerende | woordvorm | sneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sneer zijn vastgelegd.