heer
zelfstandig naamwoord /ɦɪːr/Betekenis
- man
- deftig persoon
- belangrijk persoon
- welgemanierd persoon, gentleman
- heerser
- persoon in wiens dienst men staat, meester, baas
- bezitter van een heerlijkheid
- houder van zekere adellijke titel
- aanspreektitel voor mannelijke personen
- zekere kaart in het kaartspel
- (onveranderlijk); leger
Hoe spreek je heer uit?
/hɪr/
Heer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- deftige, aanzienlijke persoon van het mannelijk geslacht; iemand met veel sociale status
- belangrijke mannelijke persoon
- welgemanierd persoon, gentleman zn
- een van de vaste kaarten, waarvan de waarde meestal tussen die van vrouw en aas in ligt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heertjes | verkleinwoord, meervoud |
| heren | meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- ; leger zn obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
| heertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heertjes | verkleinwoord, meervoud |
| heren | meervoud |
Woordfamilie van heer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heertje | verkleinwoord | heer |
| heertjes | verkleinwoord meervoud | heer |
| heren | meervoud | heer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heer zijn vastgelegd.