Naar de inhoud

meren

aan de wal vastleggen

meren is meer dan één woord

meren

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. aan de wal vastleggen

Vervoeging van meren

merenhele werkwoord — meerdeverleden tijd enkelvoud — meerdenverleden tijd meervoud — gemeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik meer meerde
jij meert meerde
hij, zij, het meert meerde
wij meren meerden
jullie meren meerden
zij meren meerden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gemeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gemeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gemeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gemeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gemeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gemeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gemeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gemeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gemeerd verleden tijd, deelwoord
gemeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gemeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gemeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gemeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gemeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gemeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gemeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
meer gebiedende wijs
meerde verleden tijd
mere aanvoegende wijs
merend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te meren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren gemeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gemeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gemeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gemeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gemeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gemeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gemeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gemeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gemeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gemeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gemeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gemeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gemeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gemeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord meer

Herkomst

In de betekenis van ‘een schip vastleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van meren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemeerd voltooid deelwoord meren
gemeerde woordvorm meren
meerde verleden tijd meren
meerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meren
meert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meren
mere aanvoegende wijs meren
merend onvoltooid deelwoord meren
merende woordvorm meren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over meren

Wat betekent meren?
Meren is een werkwoord. Het woord betekent: aan de wal vastleggen.
Hoe vervoeg je meren?
Je vervoegt meren als volgt: de tegenwoordige tijd is meer, de verleden tijd is meerde en het voltooid deelwoord is gemeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meren is 8 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 8 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meren levert met Wordfeud minimaal 8 en maximaal 42 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 8 zonder bonus
  7. 42 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meren telt 5 letters, waarvan 4 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

meren in het kort

meren is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van meren zijn 65 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meren: aan de wal vastleggen
Deel meren — standaardnederlands.nl