meren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- aan de wal vastleggen
Vervoeging van meren
merenhele werkwoord — meerdeverleden tijd enkelvoud — meerdenverleden tijd meervoud — gemeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meer | meerde |
| jij | meert | meerde |
| hij, zij, het | meert | meerde |
| wij | meren | meerden |
| jullie | meren | meerden |
| zij | meren | meerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gemeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meer | gebiedende wijs |
| meerde | verleden tijd |
| mere | aanvoegende wijs |
| merend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te meren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord meer
Herkomst
In de betekenis van ‘een schip vastleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van meren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemeerd | voltooid deelwoord | meren |
| gemeerde | woordvorm | meren |
| meerde | verleden tijd | meren |
| meerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meren |
| meert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meren |
| mere | aanvoegende wijs | meren |
| merend | onvoltooid deelwoord | meren |
| merende | woordvorm | meren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meren zijn vastgelegd.