geer
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɣer/Betekenis
- ieder van de gelijke driehoekige vakken die door gelijktijdig gebruik van een aantal hoofdlijnen ontstaan
- spits toelopende strook stof of papier. Bv. Mercator's globes waren beplakt met bedrukte geren.
- scheve zijde van een gebouw of stuk land
- niet-joodse man die volledig is overgegaan tot het jodendom, proseliet
- edel
Hoe spreek je geer uit?
/xer/
Geer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| e | veel |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geertjes | verkleinwoord, meervoud |
| geren | meervoud |
| geriem | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geren
- gebiedende wijs van geren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geren
Vervoeging van geer
geerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘spits toelopende lap kleding of grond’ voor het eerst aangetroffen in 1135
Woordfamilie van geer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geertje | verkleinwoord | geer |
| geertjes | verkleinwoord meervoud | geer |
| geree | meervoud | geer |
| geriem | enkelvoud | geer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geer zijn vastgelegd.