leer
zelfstandig naamwoord, werkwoord lerBetekenis
- stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid.
- theorie, doctrine
- ladder
- leeg
- loeren
- vuil grijnzen
- wellustig bekijken
- een nare grijns
- lezen, voorlezen, nalezen
- aflezen
- lezen
- aflezen, inlezen (computer)
Hoe spreek je leer uit?
/ler/
Leer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord
- / ladder feminine, masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leertje | verkleinwoord, derde persoon |
| leertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| leren | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leren
- gebiedende wijs van leren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leren
Vervoeging van leer
leerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘doctrine’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1569
Woordfamilie van leer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leertjes | verkleinwoord | leer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leer zijn vastgelegd.