polymeer
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˌpoliˈmerBetekenis
- betrekking hebbend op de vorming van een polymeer
- een reuzenmolecuul dat bestaat uit een sequentie van één of meerdere identieke of soortgelijke onderdelen die aan elkaar zijn gekoppeld
Hoe spreek je polymeer uit?
/ˌpoliˈmer/
Polymeer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| o | boot |
| l | land |
| i | riet |
| m | maan |
| e | veel |
| r | rood |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| polymeers | partitief, stellende trap |
| polymere | verbogen, stellende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘verbinding uit gelijksoortige moleculen’ voor het eerst aangetroffen in 1898
Woordfamilie van polymeer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| polymeers | partitive, positive | polymeer |
| polymeertje | woordvorm | polymeer |
| polymeertjes | meervoud | polymeer |
| polymere | verbogen vorm | polymeer |
| polymeren | meervoud | polymeer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van polymeer zijn vastgelegd.