meerder
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- groter, aanzienlijker
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meerdere | verbogen, vergrotende trap |
| meerders | partitief, vergrotende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meerderen
- gebiedende wijs van meerderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meerderen
Vervoeging van meerder
meerderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘groter’ voor het eerst aangetroffen in 1410
Woordfamilie van meerder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meerders | partitieve vergrotende trap | meerder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meerder zijn vastgelegd.