monomeer
zelfstandig naamwoord ˌmonoˈmerBetekenis
- een enkelvoudige bouwsteen waaruit een polymeerketen opgebouwd is
Hoe spreek je monomeer uit?
/ˌmonoˈmer/
Monomeer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monomeertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| monomeertjes | verkleinwoord, meervoud |
| monomeren | meervoud |
Herkomst
met het voorvoegsel mono- met het achtervoegsel -meer
Woordfamilie van monomeer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monomeertje | verkleinwoord | monomeer |
| monomeertjes | verkleinwoord meervoud | monomeer |
| monomeren | meervoud | monomeer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monomeer zijn vastgelegd.