haken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhakə(n)Betekenis
- met een haak vastzitten
- vast blijven hangen onder vorming van een haak (lus)
Hoe spreek je haken uit?
/ˈhakən/
Haken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een weefsel maken door het aanbrengen van lussen transitive
- bevestigen d.m.v. een haak transitive
- ~ naar verlangen of streven naar obsolete, unergative
Vervoeging van haken
hakenhele werkwoord — haakteverleden tijd enkelvoud — haaktenverleden tijd meervoud — gehaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haak | haakte |
| jij | haakt | haakte |
| hij, zij, het | haakt | haakte |
| wij | haken | haakten |
| jullie | haken | haakten |
| zij | haken | haakten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehaakt | verleden tijd, deelwoord |
| gehaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| haak | gebiedende wijs |
| haakte | verleden tijd |
| had gehaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hake | aanvoegende wijs |
| hakend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te haken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen haken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt haken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen haken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult haken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord haak
Herkomst
In de betekenis van ‘verlangen’ voor het eerst aangetroffen in 1301
Woordfamilie van haken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehaakt | voltooid deelwoord | haken |
| haakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | haken |
| haakte | verleden tijd | haken |
| haakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | haken |
| hake | aanvoegende wijs | haken |
| hakend | onvoltooid deelwoord | haken |
| hakende | woordvorm | haken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haken zijn vastgelegd.