Naar de inhoud

haken

met een haak vastzitten

haken is meer dan één woord

haken

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhakə(n)

Betekenis

  1. met een haak vastzitten
  2. vast blijven hangen onder vorming van een haak (lus)

Hoe spreek je haken uit?

/ˈhakən/

Haken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhakən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
a maan
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een weefsel maken door het aanbrengen van lussen transitive
  2. bevestigen d.m.v. een haak transitive
  3. ~ naar verlangen of streven naar obsolete, unergative

Vervoeging van haken

hakenhele werkwoord — haakteverleden tijd enkelvoud — haaktenverleden tijd meervoud — gehaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik haak haakte
jij haakt haakte
hij, zij, het haakt haakte
wij haken haakten
jullie haken haakten
zij haken haakten
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gehaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehaakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehaakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehaakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehaakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehaakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehaakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehaakt verleden tijd, deelwoord
gehaakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehaakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
haak gebiedende wijs
haakte verleden tijd
had gehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hake aanvoegende wijs
hakend onvoltooid, deelwoord
heb gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te haken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen haken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt haken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen haken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult haken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord haak

Herkomst

In de betekenis van ‘verlangen’ voor het eerst aangetroffen in 1301

Woordfamilie van haken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehaakt voltooid deelwoord haken
haakt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon haken
haakte verleden tijd haken
haakten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon haken
hake aanvoegende wijs haken
hakend onvoltooid deelwoord haken
hakende woordvorm haken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over haken

Hoe spreek je haken uit?
De uitspraak van haken is: /ˈhakə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent haken?
Haken is een werkwoord. Het woord betekent: met een haak vastzitten. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je haken?
Je vervoegt haken als volgt: de tegenwoordige tijd is haak, de verleden tijd is haakte en het voltooid deelwoord is gehaakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op haken?

Er staan 31 woorden in dit woordenboek die op haken rijmen, waaronder laken, maken en ontwaken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op haken, uitspraak ˈhakən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
laken 2
maken 2
ontwaken 3
braken 2
waken 2
bewaken 3
diaken 3
overmaken 4
vastmaken 3
raken 2
beddenlaken 4
kraken 2
staken 2
vermaken 3
taken 2
genaken 3
ammelaken 4
aanspraken 3
autokraken 4
beddelaken 4
bosniaken 4
daken 2
doorbraken 3
fetisjzaken 4
geleidebaken 5
inbreukzaken 4
lemmeraken 4
levensmiddelenzaken 7
overheidstaken 5
spaken 2
vlaken 2

Scrabble punten

Naar spel

Het woord haken is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

haken levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 10 zonder bonus
  7. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

haken telt 5 letters, waarvan 5 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

haken in het kort

haken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van haken zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort haken bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

haken: met een haak vastzitten
Deel haken — standaardnederlands.nl