haakoog
zelfstandig naamwoordBetekenis
- schroef waarvan de top is verbogen tot een bijna gesloten oog
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haakogen | meervoud |
| haakoogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haakoogjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van haak zn en oog zn
Woordfamilie van haakoog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haakogen | meervoud | haakoog |
| haakoogje | verkleinwoord | haakoog |
| haakoogjes | verkleinwoord meervoud | haakoog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haakoog zijn vastgelegd.