bevestigen
werkwoord bəˈvɛstəɣə(n)Betekenis
- iemand mededelen dat iets zoals gevraagd is of verondersteld wordt
- vastmaken
- overtuigender maken
- iemand plechtig in een rang of waardigheid installeren
- een huwelijk ~: een huwelijk kerkelijk inzegenen
Hoe spreek je bevestigen uit?
/bəˈvɛstəxən/
Bevestigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| t | tak |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bevestigen
bevestigenhele werkwoord — bevestigdeverleden tijd enkelvoud — bevestigdenverleden tijd meervoud — bevestigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bevestig | bevestigde |
| jij | bevestigt | bevestigde |
| hij, zij, het | bevestigt | bevestigde |
| wij | bevestigen | bevestigden |
| jullie | bevestigen | bevestigden |
| zij | bevestigen | bevestigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bevestig | gebiedende wijs |
| bevestigd | verleden tijd, deelwoord |
| bevestigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevestigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevestigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevestigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevestigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevestigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevestigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevestigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevestigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevestigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevestigde | verleden tijd |
| bevestige | aanvoegende wijs |
| bevestigend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bevestigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bevestigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bevestigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bevestigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bevestigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bevestigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bevestigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bevestigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bevestigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bevestigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bevestigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bevestigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bevestigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bevestigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bevestigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevestigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevestigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bevestigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevestigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bevestigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevestigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bevestigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevestigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bevestigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bevestigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bevestigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bevestigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bevestigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevestigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bevestigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bevestigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevestigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bevestigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevestigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevestigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bevestigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bevestigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bevestigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bevestigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bevestigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vastmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1410
Woordfamilie van bevestigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevestig | gebiedende wijs | bevestigen |
| bevestigd | voltooid deelwoord | bevestigen |
| bevestigde | verleden tijd | bevestigen |
| bevestigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bevestigen |
| bevestige | aanvoegende wijs | bevestigen |
| bevestigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevestigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevestigen zijn vastgelegd.