Naar de inhoud

aanhaken

met een haak vastmaken

aanhaken

werkwoord ˈanhakə(n)

Betekenis

  1. met een haak vastmaken
  2. aansluiting vinden, bv. bij een groep renners

Hoe spreek je aanhaken uit?

/ˈanhakən/

Aanhaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanhakən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
h hoed
k kat
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanhaken

aanhakenhele werkwoord — haakte aanverleden tijd enkelvoud — haakten aanverleden tijd meervoud — aangehaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik haak aan haakte aan
jij haakt aan haakte aan
hij, zij, het haakt aan haakte aan
wij haken aan haakten aan
jullie haken aan haakten aan
zij haken aan haakten aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te haken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen haken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal haken bijzin, toekomende tijd
aan zou haken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden haken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt haken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen haken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen haken bijzin, toekomende tijd
aan zult haken bijzin, toekomende tijd
aangehaakt verleden tijd, deelwoord
aangehaakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangehaakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangehaakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehaakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehaakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehaakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangehaakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangehaakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangehaakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangehaakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanhaak bijzin, tegenwoordige tijd
aanhaakt bijzin, tegenwoordige tijd
aanhaakte bijzin, verleden tijd
aanhaakten bijzin, verleden tijd
aanhakend onvoltooid, deelwoord
ben aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangehaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangehaakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangehaakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangehaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangehaakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangehaakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangehaakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangehaakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
haak aan gebiedende wijs
haakte aan verleden tijd
had aangehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanhaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanhaken bijzin, toekomende tijd
zijn aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanhaken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanhaken aan zou(dt) haken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanhaken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangehaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanhaken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanhaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanhaken bijzin, toekomende tijd
zult aangehaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en haken ww

Woordfamilie van aanhaken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangehaakt voltooid deelwoord aanhaken
aangehaakte woordvorm aanhaken
aanhaak subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanhaken
aanhaakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanhaken
aanhaakte subordinate-clause, verleden tijd aanhaken
aanhaakten subordinate-clause, verleden tijd aanhaken
aanhake with-subordinate-clause aanhaken
aanhakend onvoltooid deelwoord aanhaken
aanhakende woordvorm aanhaken
haak aan gebiedende wijs aanhaken
haakt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanhaken
haakte aan verleden tijd aanhaken
haakten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanhaken
hake aan woordvorm aanhaken
haken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanhaken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanhaken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanhaken

Hoe spreek ik aanhaken uit?
Zo spreek je aanhaken uit: /ˈanhakə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanhaken?
Aanhaken is een werkwoord. De betekenis is: met een haak vastmaken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanhaken?
Zo vervoeg je aanhaken zo: het voltooid deelwoord is aangehaakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanhaken is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. H 4
  5. A 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanhaken levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. H 4
  5. A 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanhaken in het kort

aanhaken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanhaken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanhaken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanhaken: met een haak vastmaken
Deel aanhaken — standaardnederlands.nl