inhaken
werkwoord ˈɪnhakə(n)Betekenis
- aanknopen bij, aansluiten op
- steken door de gebogen arm van een ander
- met een haak slaan in
Hoe spreek je inhaken uit?
/ˈɪnhakən/
Inhaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| h | hoed |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van inhaken
inhakenhele werkwoord — haakte inverleden tijd enkelvoud — haakten inverleden tijd meervoud — ingehaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haak in | haakte in |
| jij | haakt in | haakte in |
| hij, zij, het | haakt in | haakte in |
| wij | haken in | haakten in |
| jullie | haken in | haakten in |
| zij | haken in | haakten in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingehaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingehaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingehaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingehaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingehaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingehaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingehaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingehaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| haak in | gebiedende wijs |
| haakte in | verleden tijd |
| had ingehaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingehaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingehaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingehaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingehaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te haken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen haken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal haken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou haken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden haken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt haken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen haken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen haken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult haken | bijzin, toekomende tijd |
| ingehaakt | verleden tijd, deelwoord |
| ingehaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingehaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingehaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingehaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingehaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingehaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingehaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingehaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingehaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingehaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inhaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inhaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inhaakte | bijzin, verleden tijd |
| inhaakten | bijzin, verleden tijd |
| inhakend | onvoltooid, deelwoord |
| is ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben ingehaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inhaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingehaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingehaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingehaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingehaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingehaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingehaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingehaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingehaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inhaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingehaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inhaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inhaken in zou(dt) haken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inhaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingehaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingehaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inhaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingehaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingehaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingehaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingehaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inhaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inhaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inhaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingehaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in bw en haken ww
Woordfamilie van inhaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haak in | gebiedende wijs | inhaken |
| haakt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inhaken |
| haakte in | verleden tijd | inhaken |
| haakten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inhaken |
| hake in | woordvorm | inhaken |
| haken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inhaken |
| ingehaakt | voltooid deelwoord | inhaken |
| ingehaakte | woordvorm | inhaken |
| inhaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inhaken |
| inhaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inhaken |
| inhaakte | subordinate-clause, verleden tijd | inhaken |
| inhaakten | subordinate-clause, verleden tijd | inhaken |
| inhake | with-subordinate-clause | inhaken |
| inhakend | onvoltooid deelwoord | inhaken |
| inhakende | woordvorm | inhaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inhaken zijn vastgelegd.