Naar de inhoud

afhaken

niet langer met een proces meedoen

afhaken

werkwoord ˈɑfhakə(n)

Betekenis

  1. niet langer met een proces meedoen

Hoe spreek je afhaken uit?

/ˈɑfhakən/

Afhaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfhakən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
h hoed
a maan
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afhaken

afhakenhele werkwoord — haakte afverleden tijd enkelvoud — haakten afverleden tijd meervoud — afgehaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik haak af haakte af
jij haakt af haakte af
hij, zij, het haakt af haakte af
wij haken af haakten af
jullie haken af haakten af
zij haken af haakten af
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
af te haken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen haken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal haken bijzin, toekomende tijd
af zou haken bijzin, voorwaardelijk
af zouden haken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt haken bijzin, voorwaardelijk
af zullen haken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen haken bijzin, toekomende tijd
af zult haken bijzin, toekomende tijd
afgehaakt verleden tijd, deelwoord
afgehaakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgehaakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgehaakt te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehaakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehaakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehaakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgehaakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgehaakt zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgehaakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgehaakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afhaak bijzin, tegenwoordige tijd
afhaakt bijzin, tegenwoordige tijd
afhaakte bijzin, verleden tijd
afhaakten bijzin, verleden tijd
afhakend onvoltooid, deelwoord
ben afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgehaakt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was afgehaakt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd afgehaakt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt afgehaakt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal afgehaakt worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal afgehaakt zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou afgehaakt worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou afgehaakt zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
haak af gebiedende wijs
haakte af verleden tijd
hebben afgehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn afgehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afhaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgehaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgehaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgehaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgehaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afhaken bijzin, toekomende tijd
zijn afgehaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgehaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afhaken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afhaken af zou(dt) haken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afhaken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgehaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afhaken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afhaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afhaken bijzin, toekomende tijd
zult afgehaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgehaakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afhaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afhaken bijzin, toekomende tijd
zult/zal afhaken af zult/zal haken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en haken ww

Woordfamilie van afhaken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgehaakt voltooid deelwoord afhaken
afgehaakte woordvorm afhaken
afhaak subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhaken
afhaakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhaken
afhaakte subordinate-clause, verleden tijd afhaken
afhaakten subordinate-clause, verleden tijd afhaken
afhake with-subordinate-clause afhaken
afhakend onvoltooid deelwoord afhaken
afhakende woordvorm afhaken
haak af gebiedende wijs afhaken
haakt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afhaken
haakte af verleden tijd afhaken
haakten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afhaken
hake af woordvorm afhaken
haken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afhaken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhaken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afhaken

Hoe spreek ik afhaken uit?
Zo spreek je afhaken uit: /ˈɑfhakə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afhaken?
Afhaken is een werkwoord. De betekenis is: niet langer met een proces meedoen.
Hoe vervoeg ik afhaken?
Zo vervoeg je afhaken zo: het voltooid deelwoord is afgehaakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afhaken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afhaken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afhaken telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afhaken in het kort

afhaken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afhaken staan er 76 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afhaken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afhaken: niet langer met een proces meedoen
Deel afhaken — standaardnederlands.nl