dekkleed
zelfstandig naamwoord ˈdɛkletBetekenis
- een lap stof waarmee de romp van een paard afgedekt wordt
- een grote lap, meestal waterdicht materiaal waarmee een gebouw, voer- of vaartuig afgedekt wordt
- een op de helm vastgemaakt stuk stof
Hoe spreek je dekkleed uit?
/ˈdɛklet/
Dekkleed bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dekkleden | meervoud |
| dekkleedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dekkleedjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van dek ww en kleed
Woordfamilie van dekkleed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dekkleden | meervoud | dekkleed |
| dekkleedje | verkleinwoord | dekkleed |
| dekkleedjes | verkleinwoord meervoud | dekkleed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dekkleed zijn vastgelegd.