boktor
zelfstandig naamwoord ˈbɔktɔrBetekenis
- een grote kever met lange voelsprieten
Hoe spreek je boktor uit?
/ˈbɔktɔr/
Boktor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| t | tak |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- grote kever met lange voelsprieten uit de familie Cerambycidae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boktorren | meervoud |
| boktorretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boktorretjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bok zn en tor zn , omdat de voelsprieten aan de hoorns van een bok doen denken, in de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1766
Woordfamilie van boktor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boktorretje | verkleinwoord | boktor |
| boktorretjes | verkleinwoord meervoud | boktor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boktor zijn vastgelegd.