bokkenrijder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- berijder van een bok 1
- lid van een van de bendes van dieven, afpersers en plegers van gewelddadige berovingen in delen van de huidige provincies Limburg in de 18e eeuw
- persoon of geest waarvan men zei dat ze op bok 1 door de lucht reden, vaak over één kam geschoren met de onder 2 genoemde roversbende
- gemene vent
zelfstandig naamwoord — masculine
- berijder van een bok [1]
- persoon of geest waarvan men zei dat ze op bokken [1] door de lucht reden, vaak over één kam geschoren met de onder [2] genoemde roversbende
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bokkenrijders | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bok en rijder zn met het invoegsel -en-
Woordfamilie van bokkenrijder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bokkenrijders | meervoud | bokkenrijder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bokkenrijder zijn vastgelegd.