bokken
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈbɔkə(n)/Betekenis
- mokken omdat men zich verongelijkt voelt
- (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
- (gewestelijk) zich vooroverbuigen, bukken.
Hoe spreek je bokken uit?
/ˈbɔkən/
Bokken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als bocken.
zelfstandig naamwoord
- Caprinae (of geitachtigen) een onderfamilie uit de familie der holhoornigen (Bovidae), waartoe onder andere de geiten, schapen, gemzen en de muskusos behoren. De Tibetaanse antilope (Pantholops hodgsonii) wordt soms tot deze onderfamilie gerekend, en vaak gezien als de holhoornige die het nauwst aan de bokken verwant is
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bok
werkwoord
- de achterhand in de lucht gooien unergative
- zich vooroverbuigen, bukken.
Vervoeging van bokken
bokkenhele werkwoord
Herkomst
bok zn met de uitgang -en
Woordfamilie van bokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bokke | woordvorm | bokken |
| bokkend | woordvorm | bokken |
| bokkende | woordvorm | bokken |
| bokt | woordvorm | bokken |
| bokte | woordvorm | bokken |
| bokten | woordvorm | bokken |
| gebokt | woordvorm | bokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bokken zijn vastgelegd.