hal
zelfstandig naamwoord /ɦɑl/Betekenis
- ruimte achter de voordeur
- een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
- een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
- hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
- vis
- toestand, omstandigheid, geval
- geval, kwestie, punt, feit, reden
- over, ten aanzien van
- galvaniseren|gegalvaniseerd plaatijzer
- toestand, situatie, omstandigheid, staat
Hoe spreek je hal uit?
/hɑl/
Hal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hallen | meervoud |
| halletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| halletjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
| halletje | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘ruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1213
Woordfamilie van hal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hallen | meervoud | hal |
| halletje | verkleinwoord | hal |
| halletjes | verkleinwoord meervoud | hal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hal zijn vastgelegd.