Naar de inhoud

weldoen

gunstige, bevorderende handelingen verrichten

weldoen

werkwoord

Betekenis

  1. gunstige, bevorderende handelingen verrichten

Vervoeging van weldoen

weldoenhele werkwoord — deed welverleden tijd enkelvoud — deden welverleden tijd meervoud — welgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe wel deed wel
jij doet wel deed wel
hij, zij, het doet wel deed wel
wij doen wel deden wel
jullie doen wel deden wel
zij doen wel deden wel
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
deed wel verleden tijd
doe wel gebiedende wijs
er is welgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was welgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd welgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt welgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal welgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal welgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou welgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou welgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had welgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had welgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had welgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden welgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden welgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden welgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt welgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben welgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft welgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben welgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen weldoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wel te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
wel te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wel zal doen bijzin, toekomende tijd
wel zou doen bijzin, voorwaardelijk
wel zouden doen bijzin, voorwaardelijk
wel zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
wel zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
wel zullen doen bijzin, toekomende tijd
wel zult doen bijzin, toekomende tijd
weldeden bijzin, verleden tijd
weldeed bijzin, verleden tijd
weldoe bijzin, tegenwoordige tijd
weldoend onvoltooid, deelwoord
weldoet bijzin, tegenwoordige tijd
welgedaan verleden tijd, deelwoord
welgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
welgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal weldoen bijzin, toekomende tijd
zal welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou weldoen bijzin, voorwaardelijk
zou welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) weldoen wel zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden weldoen bijzin, voorwaardelijk
zouden welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt weldoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt welgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen weldoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen weldoen bijzin, toekomende tijd
zullen welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult weldoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult weldoen bijzin, toekomende tijd
zult welgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal weldoen wel zult/zal doen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van wel en doen

Woordfamilie van weldoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden wel aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon weldoen
deed wel verleden tijd weldoen
doe wel gebiedende wijs weldoen
doen wel aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon weldoen
doet wel aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon weldoen
weldeden subordinate-clause, verleden tijd weldoen
weldeed subordinate-clause, verleden tijd weldoen
weldoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd weldoen
weldoend onvoltooid deelwoord weldoen
weldoende woordvorm weldoen
weldoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd weldoen
welgedaan voltooid deelwoord weldoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weldoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over weldoen

Wat is de betekenis van weldoen?
Weldoen is een werkwoord. De betekenis is: gunstige, bevorderende handelingen verrichten.
Hoe vervoeg ik weldoen?
Zo vervoeg je weldoen zo: het voltooid deelwoord is welgedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord weldoen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. L 3
  4. D 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

weldoen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 112 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. L 3
  4. D 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 112 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

weldoen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

weldoen in het kort

weldoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van weldoen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort weldoen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

weldoen: gunstige, bevorderende handelingen verrichten
Deel weldoen — standaardnederlands.nl