Naar de inhoud

vakantie

jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen in verschillende beroepen vrijaf hebben

vakantie

zelfstandig naamwoord /vɑˈkɑn(t)si/

Betekenis

  1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen in verschillende beroepen vrijaf hebben
  2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt

Hoe spreek je vakantie uit?

/vɑˈkɑntsi/

Vakantie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vɑˈkɑntsi/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɑ bad
k kat
n nek
t tak
s sok
i riet
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als vacantie.

Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)

Vorm Grammaticale informatie
vacantie
vakanties meervoud
vakantietje verkleinwoord, enkelvoud
vakantietjes verkleinwoord, meervoud

Herkomst

van middeleeuws Latijn vacāntia "ledigheid" **[1] oorspronkelijk in de betekenis van 'periode zonder rechtszittingen, het niet-functioneren van de rechtspraak' (1462), in de betekenis van ‘schoolvrije periode’ voor het eerst aangetroffen in 1575 , bij uitbreiding 'vrije periode voor beroepsgroepen', sinds 1682 **[2] in de betekenis van 'een reis tijdens de school- of werkvrije periode' (oorspronkelijk in mv vacanties), vertaald van het Frans vacances (met het achtervoegsel -antie) aangetroffen vanaf 1860 (zie vindplaats hieronder)

Woordfamilie van vakantie

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vacantie woordvorm vakantie
vakanties meervoud vakantie
vakantietje verkleinwoord vakantie
vakantietjes verkleinwoord meervoud vakantie

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vakantie zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vakantie

Hoe spreek je vakantie uit?
De uitspraak van vakantie is: /vɑˈkɑn(t)si/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent vakantie?
Vakantie is een zelfstandig naamwoord. Het woord betekent: jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen in verschillende beroepen vrijaf hebben. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe verbuig je vakantie?
Bij vakantie geldt: het meervoud is vakanties. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.
Hoe verklein je vakantie?
Het verkleinwoord van vakantie is vakantietje, dus een het-woord. In het meervoud wordt dat vakantietjes.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op vakantie?

Vakantie rijmt op 24 woorden op -antie; discrepantie, instantie en transparantie bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op vakantie, uitspraak vɑˈkɑntsi, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
discrepantie 4
instantie 3
transparantie 4
garantie 3
kerstvakantie 4
variantie 4
zomervakantie 5
wandelvakantie 5
assurantie 4
dissonantie 4
relevantie 4
herfstvakantie 5
krokusvakantie 5
brandassurantie 5
performantie 4
acconsonantie 5
crocusvacantie 5
najaarsvakantie 5
natuurbeschermingsinstantie 8
nigromantie 4
nultolerantie 5
querulantie 4
vacantie 3
vouchervakantie 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vakantie is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. A 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. I 1
  8. E 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vakantie levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. A 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. I 2
  8. E 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vakantie in het kort

vakantie staat in dit woordenboek als zelfstandig naamwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vakantie zijn 4 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vakantie bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vakantie: jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen in verschillende beroepen vrijaf hebben
Deel vakantie — standaardnederlands.nl