traplopen
werkwoordBetekenis
- een trap op- of afgaan
Vervoeging van traplopen
traplopenhele werkwoord — trapgelopenvoltooid deelwoord
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bijzin) trapliep | verleden tijd |
| er is trapgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was trapgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd trapgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt trapgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal trapgelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal trapgelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou trapgelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou trapgelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had trapgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had trapgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had trapgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden trapgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden trapgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden trapgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt trapgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben trapgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft trapgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben trapgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te traplopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen traplopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trapgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| trapgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trapgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| trapliep | bijzin, verleden tijd |
| trapliepen | bijzin, verleden tijd |
| traploop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| traploopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| traplopend | onvoltooid, deelwoord |
| zal trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal traplopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou traplopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden traplopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt trapgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt traplopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen traplopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen traplopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult trapgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult traplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult traplopen | bijzin, toekomende tijd |
| — | gebiedende wijs |
| — | verleden tijd |
Herkomst
samenstelling van trap zn en lopen ww
Woordfamilie van traplopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| traploop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | traplopen |
| traplopend | onvoltooid deelwoord | traplopen |
| traplopende | woordvorm | traplopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traplopen zijn vastgelegd.